Jarenlange onderdrukking, verwarring en ontmenselijking. Een verslag uit de psychiatrie.

Mei 2025. Wij ontvingen het volgende verslag. De identiteit van de auteur is bij ons bekend. Wij publiceren dit verslag met haar toestemming.

( Dit verslag is hier als pdf beschikbaar: https://www.ncrm.nl/wp-content/uploads/2025/05/Jarenlange-onderdrukking-verwarring-en-ontmenselijking.-Een-verslag-uit-de-psychiatrie.pdf )

“Terug naar mezelf – een reis door de GGZ, verslaving en herstel”
Mijn naam is Kim. Toen ik twintig was, kwam ik voor het eerst in aanraking met de gedwongen geestelijke gezondheidszorg. Wat toen begon als hulp, veranderde al snel in jarenlange onderdrukking, verwarring, en ontmenselijking. De jaren die volgden — zeventien in totaal — werden gekenmerkt door langdurige opnames, dwangmaatregelen, medicatie-experimenten en een eindeloze reeks aan diagnoses die zelden echt onderzocht werden.

Elke keer als ik bij een nieuwe psychiater of psycholoog kwam, begon het proces weer van voren af aan. Er werd zelden naar mij geluisterd. Geen uitgebreide gesprekken, geen betrokkenheid van mijn ouders of omgeving, geen echt onderzoek. Er werden hokjes gezocht waar ik in paste — en als er ook maar een paar symptomen overeenkwamen, kreeg ik een diagnose en de bijbehorende behandeling.

Ik werd gelabeld met borderline persoonlijkheidsstoornis, ADHD, manisch-depressiviteit, eetstoornissen en meer. Maar er werd zelden gevraagd naar mijn levensverhaal. Niemand stond stil bij de trauma’s die ik had meegemaakt. Niemand vroeg waar mijn pijn echt vandaan kwam. Er werd niet geluisterd naar wie ik was — er werd alleen gekeken naar wat er ‘mis’ met me was.

De medicatie die ik kreeg werd steeds zwaarder. Antidepressiva, antipsychotica, stemmingsstabilisatoren, slaapmiddelen. Het ene middel werd afgebouwd, het andere opgebouwd, soms meerdere tegelijk. Ik raakte langzaam maar zeker mezelf kwijt. De medicijnen dempten mijn gevoelens, vervreemdden me van mijn lichaam, mijn denken, mijn identiteit. Steeds vaker keek ik in de spiegel en herkende ik de persoon die ik zag niet meer. Mijn hoofd was troebel, mijn emoties afgevlakt of juist ontregeld. Wie was ik eigenlijk nog? Waar stond ik voor? Wat wilde ík?
Ik wist het niet meer.

Wat ik wél wist, was dat ik me nog dieper ging schamen voor wie ik was. De boodschap die ik jarenlang van de GGZ meekreeg, bewust of onbewust, was dat ik niet goed genoeg was. Dat hulp vragen een zwaktebod was. Dat emoties lastig waren — en liefst onderdrukt moesten worden. Boosheid, verdriet, wanhoop: als ik ze liet zien, werd ik bestempeld als ‘moeilijk’, ‘manipulatief’, of ‘instabiel’. Dus ik leerde ze te onderdrukken, te negeren, net zoals men van mij verlangde. Maar vanbinnen werd het steeds stiller… en steeds pijnlijker.

Wat nog dieper sneed, was de manier waarop medicatie werd ingezet. Er werd nooit écht afgebouwd. Als iets niet werkte, kwam er gewoon iets bij. En nog iets. En nog iets. Op mijn dieptepunt slikte ik twintig pillen per dag — een mix van antidepressiva, antipsychotica, slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen, stemmingsstabilisatoren. Mijn hoofd voelde als watten. Mijn lichaam reageerde niet meer. Ik was een chemisch gevechtsterrein geworden.

Om te overleven ontwikkelde ik patronen van verslaving — aan alcohol, aan drugs, en uiteindelijk ook aan de medicijnen die zogenaamd moesten helpen. Wat mensen zich vaak niet realiseren, is dat veel medicatie binnen de GGZ óók verslavend kan zijn. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Ik raakte afhankelijk van pillen om te slapen, om wakker te worden, om te kunnen functioneren, om gevoelens weg te drukken. Maar niets daarvan hielp me werkelijk vooruit. Integendeel — ik raakte steeds verder verwijderd van wie ik werkelijk was. En ik verloor de hoop dat er ooit nog iets zou veranderen.
En dan was er de isoleercel. Een plek waarvan ik hoop dat niemand die ooit hoeft te ervaren zoals ik dat heb gedaan. Rond mijn 21e werd ik regelmatig opgesloten, soms voor dagen, weken — het langste zelfs vier maanden aan één stuk. Ik werd daar niet geholpen.

Ik was niet langer een mens, ik was een object dat moest worden beheerst.
Pas veel later, na zeventien jaar in deze eindeloze, innerlijke en uiterlijke strijd, werd eindelijk de juiste diagnose gesteld: PTSS. Een diagnose die eindelijk verklaarde waar mijn klachten vandaan kwamen. Geen stoornis in mijn persoonlijkheid, geen chemisch tekort, maar een diepgeworteld trauma. Eindelijk viel er iets op zijn plek.
Mijn echte keerpunt kwam toen ik in aanraking kwam met het Minnesota-model en de 12-stappenbenadering, bekend vanuit de verslavingszorg. Daar vond ik geen nieuwe diagnose, geen nieuwe medicatie, maar iets veel waardevollers: herkenning, erkenning, verbinding. Voor het eerst ontmoette ik mensen die mijn verhaal niet wilden fixen, maar wilden hóren. Die begrepen wat het betekent om jezelf kwijt te raken — en om stukje bij beetje weer terug te vinden wie je bent.

In het Minnesota-model vond ik houvast, structuur, eerlijkheid en liefdevolle confrontatie. Ik leerde verantwoordelijkheid nemen voor mijn herstel, maar ook om mezelf niet langer te veroordelen. Ik leerde mijn gevoelens toe te laten in plaats van ze te verdoven. Ik leerde dat mijn gedrag destructief kon zijn, maar dat ik als mens waardevol bleef. En het allerbelangrijkste: ik leerde dat herstel mogelijk is.

Vandaag de dag ben ik nuchter. Ik ben vrij van middelen. Ik ben vrij van de medicatie die me jarenlang in een roes hield. Ik ben niet mijn diagnose, niet mijn verslaving, niet mijn verleden. Ik ben Kim. En ik weet weer wie ik ben, waar ik voor sta, en wat ik wil.
Mijn verhaal is niet uniek — er zijn zovelen die verdwalen in een systeem dat gericht is op controle in plaats van verbinding. Maar het hoeft niet zo te blijven. Er is een andere weg. En het begint bij luisteren. Echte, oprechte aandacht voor het verhaal achter het gedrag. Want achter elk symptoom zit een mens.
En ieder mens verdient het om gezien te worden.

Ik heb mijn diploma behaald als Zorgprofessional en Ervaringsdeskundige. Ik heb een liefdevolle relatie, al meer dan twee jaar, met een man die mij ziet zoals ik ben. Ik woon in een mooi appartement dat ik met trots ‘thuis’ noem. En misschien wel het belangrijkste: ik gebruik mijn stem.
Tegenwoordig heb ik een baan op een mooie plek, waar ik werk en verdien mijn eigen geld en ben een lid van de Maatschappij, heb collega’s en vrienden, iets wat onmogelijk leek.
Ik spreek tegenwoordig regelmatig in klinieken. Ik vertel mijn verhaal — niet om te shockeren, maar om hoop te brengen. Om te laten zien dat herstel mogelijk is, zelfs als je jarenlang vastzat. Zelfs als je geloofde dat het nooit meer goed zou komen.

Ik ben Kim. Ik ben geen diagnose, geen dossiernummer, geen restproduct van een systeem dat me lang niet zag. Ik ben een mens. En mijn verhaal bewijst dat er leven is na de hel. Dat er kracht zit in kwetsbaarheid.
En dat luisteren, écht luisteren, levens kan redden.

Scroll naar boven